Zelfreflectie en cognitieve dissonantie
Zelfreflectie betekent dat iemand bewust probeert te kijken naar zijn eigen gedachten, gevoelens, gedrag en keuzes.
Soms komt iemand tijdens dat nadenken informatie tegen die niet goed past bij wat hij eerder dacht, deed of besloot.
Dat kan een ongemakkelijk gevoel geven.
In de psychologie wordt dit cognitieve dissonantie genoemd.
Het woord cognitief heeft te maken met denken, begrijpen en informatie verwerken.
Dissonantie betekent dat dingen niet goed met elkaar overeenkomen.
In eenvoudige woorden:
Cognitieve dissonantie ontstaat wanneer twee gedachten, overtuigingen, keuzes of gedragingen met elkaar botsen.
Universiteit Leiden beschrijft: cognitieve dissonantie als een toestand waarin bijvoorbeeld iemands overtuigingen niet overeenkomen met zijn gedrag.
Een eenvoudig voorbeeld
Stel dat iemand gezondheid heel belangrijk vindt, maar tegelijkertijd iets doet waarvan hij weet dat het ongezond is.
Dan kunnen twee gedachten naast elkaar bestaan:
“Mijn gezondheid is belangrijk voor mij.”
en:
“Ik doe iets waarvan ik weet dat het slecht is voor mijn gezondheid.”
Die twee passen niet goed bij elkaar.
Dat kan spanning of ongemak geven.
Iemand kan vervolgens proberen die spanning te verminderen.
Dat kan op verschillende manieren.
Bijvoorbeeld:
het gedrag veranderen;
de eigen mening aanpassen;
een verklaring zoeken voor het gedrag;
het probleem minder belangrijk maken;
of vooral aandacht geven aan informatie die de bestaande keuze ondersteunt.
Het verminderen van die spanning is een normaal psychologisch proces.
Cognitieve dissonantie is dus op zichzelf geen psychische aandoening. Onderzoek en publicaties van Nederlandse universiteiten beschrijven het als een bekend verschijnsel binnen de psychologie.
Wanneer een keuze botst met nieuwe informatie
Cognitieve dissonantie kan ook ontstaan nadat iemand een belangrijke keuze heeft gemaakt.
Stel:
Iemand neemt een besluit en denkt:
“Dit was de juiste keuze.”
Later verschijnt nieuwe informatie die niet helemaal bij dat besluit past.
Dan kunnen twee gedachten ontstaan:
“Ik heb de juiste beslissing genomen.”
en:
“Deze nieuwe informatie laat zien dat de situatie misschien ingewikkelder was dan ik dacht.”
Die gedachten hoeven elkaar niet volledig uit te sluiten.
Toch kan er spanning ontstaan.
Op dat moment zijn verschillende reacties mogelijk.
Iemand kan denken:
“Ik wil deze nieuwe informatie onderzoeken.”
Maar iemand kan ook proberen de nieuwe informatie minder belangrijk te maken:
“Dat verandert eigenlijk niets.”
Of:
“Daar wil ik niet meer over nadenken.”
Geen van deze reacties bewijst op zichzelf dat iemand verkeerd denkt.
Wel wordt het voor zelfreflectie belangrijk om te onderzoeken waarom bepaalde informatie wordt meegenomen en andere informatie minder aandacht krijgt.
We willen graag dat ons denken klopt met ons gedrag
Mensen hebben meestal behoefte aan een beeld van zichzelf en hun keuzes dat begrijpelijk en samenhangend voelt.
Wanneer gedrag en overtuigingen sterk met elkaar botsen, kan dat ongemakkelijk zijn.
Bijvoorbeeld:
“Ik vind eerlijkheid belangrijk.”
maar tegelijkertijd:
“Ik heb niet alles verteld.”
Of:
“Ik probeer altijd zorgvuldig beslissingen te nemen.”
maar:
“Misschien wist ik niet alles toen ik deze beslissing nam.”
Of:
“Ik behandel anderen rechtvaardig.”
maar:
“Misschien heb ik onvoldoende naar het perspectief van de ander gekeken.”
Juist wanneer een onderwerp belangrijk is voor hoe iemand zichzelf ziet, kan tegenstrijdige informatie moeilijk zijn om te verwerken.
Dat betekent niet automatisch dat iemand die informatie bewust wegduwt.
Veel van deze psychologische processen kunnen plaatsvinden zonder dat iemand zich daarvan volledig bewust is.
Hoe kan cognitieve dissonantie worden verminderd?
Wanneer tegenstrijdige gedachten spanning geven, proberen mensen die spanning vaak kleiner te maken.
Dat kan op verschillende manieren.
Het gedrag veranderen
Iemand kan besluiten:
“Mijn gedrag past niet bij wat ik belangrijk vind. Daarom ga ik mijn gedrag veranderen.”
De twee kanten passen daarna beter bij elkaar.
Dit kan juist een positieve uitkomst van cognitieve dissonantie zijn.
Het ongemak zet iemand dan aan tot verandering.
De mening aanpassen
Het kan ook andersom.
In plaats van het gedrag te veranderen, verandert iemand zijn manier van denken.
Bijvoorbeeld:
“Misschien is dit gedrag eigenlijk helemaal niet zo belangrijk.”
Daardoor wordt de tegenstelling kleiner.
Een verklaring toevoegen
Iemand kan ook een reden zoeken waardoor de keuze beter te begrijpen wordt.
Bijvoorbeeld:
“Normaal zou ik dit niet doen, maar in deze situatie kon het niet anders.”
Zo'n verklaring kan terecht zijn.
Omstandigheden kunnen gedrag immers daadwerkelijk verklaren.
Het wordt pas belangrijk om verder te kijken wanneer een verklaring vooral wordt gebruikt om andere relevante informatie niet meer te hoeven onderzoeken.
Het belang kleiner maken
Ook kan iemand denken:
“Het valt allemaal wel mee.”
Daarmee wordt de tegenstrijdigheid minder zwaar.
Soms is dat realistisch.
Maar soms kan informatie daardoor te gemakkelijk aan de kant worden geschoven.
Een keuze verdedigen
Na een belangrijke beslissing kan iemand behoefte voelen om uit te leggen waarom die beslissing juist was.
Ook dat is niet vreemd.
Mensen willen hun keuzes kunnen begrijpen en uitleggen.
Onderzoekers van het Donders Instituut van de Radboud Universiteit beschrijven: bij twijfel na beslissingen dat mensen onder andere stress, angst of spijt kunnen ervaren. Mensen kunnen vervolgens hun keuze terugdraaien, maar ook bevestiging van anderen zoeken en hun keuze verdedigen.
Het verdedigen van een keuze betekent niet automatisch dat sprake is van cognitieve dissonantie.
Maar wanneer informatie die niet bij de keuze past steeds moeilijker bespreekbaar wordt, kan het nuttig zijn om te onderzoeken waarom dat gebeurt.
Zelfreflectie kan dan moeilijker worden
Hier ontstaat de verbinding met zelfreflectie.
Goede zelfreflectie vraagt dat iemand niet alleen informatie onderzoekt die prettig of bevestigend is.
Ook informatie die ongemakkelijk is, moet bekeken kunnen worden.
Bijvoorbeeld:
Welke informatie past niet goed bij mijn huidige overtuiging?
Heb ik werkelijk alle belangrijke omstandigheden meegenomen, of vooral de onderdelen die mijn conclusie ondersteunen?
Welke feiten zouden mij kunnen laten twijfelen aan mijn huidige verklaring?
Heb ik onderzocht wat mijn eigen gedrag mogelijk heeft bijgedragen aan wat er gebeurde?
Welke informatie kende ik niet toen ik mijn oorspronkelijke oordeel of beslissing vormde?
Ben ik nog steeds aan het onderzoeken, of ben ik vooral bezig mijn eerdere keuze te verdedigen?
Als iemand anders precies hetzelfde had gedaan als ik, zou ik zijn of haar gedrag dan op dezelfde manier beoordelen?
Heb ik een ingewikkelde situatie misschien teruggebracht tot één eenvoudige oorzaak, terwijl er meerdere factoren meespeelden?
Zijn er onderwerpen of verklaringen waar ik liever niet naar kijk, omdat het antwoord gevolgen kan hebben voor hoe ik naar mezelf, een ander of een eerdere beslissing kijk?
Als nieuwe informatie laat zien dat mijn eerdere beeld niet volledig was, ben ik dan bereid mijn conclusie aan te vullen of bij te stellen?
Deze vragen hebben niet als doel om iemand aan zichzelf te laten twijfelen. Ze helpen om te onderzoeken hoe stevig een conclusie werkelijk is, welke informatie eraan ten grondslag ligt en of er voldoende ruimte blijft voor andere verklaringen of nieuwe inzichten.
Dit kunnen lastige vragen zijn.
Niet omdat het antwoord noodzakelijk negatief is, maar omdat het antwoord misschien vraagt om een eerder beeld aan te vullen of bij te stellen.
Een gedachte beschermen tegen nieuwe informatie
Wanneer een overtuiging belangrijk is geworden, kan het moeilijk zijn om informatie toe te laten die daarmee botst.
Iemand kan bijvoorbeeld denken:
“Ik weet waarom dit is gebeurd.”
Wanneer daarna informatie verschijnt die een andere verklaring mogelijk maakt, kan onzekerheid ontstaan.
Een reflectieve reactie kan zijn:
“Ik dacht dat ik wist waardoor het kwam. Laat ik kijken of deze nieuwe informatie iets verandert.”
Maar er kan ook een reactie ontstaan als:
“Ik heb hierover al nagedacht. Ik hoef er niet opnieuw naar te kijken.”
Ook die tweede uitspraak betekent niet automatisch dat iemand cognitieve dissonantie probeert te vermijden.
Misschien is het onderwerp daadwerkelijk uitgebreid onderzocht.
De belangrijke vraag is daarom:
Is de conclusie zorgvuldig onderzocht, of wordt de conclusie beschermd tegen informatie die ermee botst?
Cognitieve dissonantie en voorkeur voor bevestiging
Cognitieve dissonantie lijkt op voorkeur voor bevestiging, maar het zijn niet precies dezelfde begrippen.
Voorkeur voor bevestiging betekent: dat mensen gemakkelijker aandacht kunnen geven aan informatie die past bij wat zij al denken of hebben gekozen.
Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam: laat zien dat mensen zelfs bij eenvoudige keuzes meer aandacht kunnen geven aan informatie die overeenkomt met hun eerdere beslissing.
Bij cognitieve dissonantie gaat het vooral om de spanning die ontstaat wanneer informatie, gedrag of overtuigingen niet goed bij elkaar passen.
De twee processen kunnen elkaar wel raken.
Stel:
Iemand heeft een duidelijk beeld gevormd van wat er is gebeurd.
Daarna komt informatie die goed bij dat beeld past.
Die informatie voelt logisch en vertrouwd.
Vervolgens komt informatie die niet goed in dat beeld past.
Die informatie kan moeilijker zijn om serieus mee te nemen.
Wanneer vooral de bevestigende informatie wordt meegenomen, kan de oorspronkelijke overtuiging steeds sterker worden.
Zelfreflectie vraagt daarom ook aandacht voor de vraag:
“Welke informatie past juist níét bij mijn huidige overtuiging?”
Cognitieve dissonantie en cognitieve vernauwing
Dit onderwerp sluit goed aan bij cognitieve vernauwing.
Bij cognitieve vernauwing wordt het beeld smaller. Een deel van de informatie krijgt veel aandacht, terwijl andere informatie minder wordt meegenomen.
Bij cognitieve dissonantie ontstaat spanning omdat verschillende gedachten, feiten, overtuigingen of gedragingen niet goed met elkaar overeenkomen.
De processen kunnen samengaan.
Bijvoorbeeld:
Eerdere overtuiging:
“Mijn beslissing was juist.”
Nieuwe informatie:
“Er waren belangrijke omstandigheden die ik toen niet kende.”
Dit kan spanning geven.
Wanneer vervolgens vooral informatie wordt gebruikt die de eerdere beslissing bevestigt, kan het perspectief smaller worden.
Maar dit gebeurt niet automatisch.
Nieuwe informatie kan ook juist leiden tot meer zelfreflectie.
Cognitieve dissonantie kan juist tot groei leiden
Cognitieve dissonantie is daarom niet alleen iets negatiefs.
Het ongemakkelijke gevoel kan juist aanleiding zijn om opnieuw te kijken.
Bijvoorbeeld:
“Waarom voelt dit tegenstrijdig?”
“Past mijn gedrag nog bij wat ik belangrijk vind?”
“Heb ik mijn oordeel gebaseerd op voldoende informatie?”
“Moet ik iets veranderen?”
“Moet ik mijn eerdere mening aanpassen?”
“Of blijf ik na opnieuw onderzoek toch bij mijn oorspronkelijke conclusie?”
Het Nederlands Jeugdinstituut beschrijft: reflectie als terugkijken op een ervaring en gestructureerd onderzoeken wat iemand heeft gezien, ervaren, gedacht en gedaan.
Daardoor kunnen nieuwe inzichten ontstaan.
Cognitieve dissonantie kan dus een aanleiding worden voor diepere zelfreflectie.
Een beslissing opnieuw bekijken betekent niet dat deze fout was
Dit onderscheid is belangrijk.
Wanneer iemand een eerdere keuze opnieuw onderzoekt, betekent dat niet automatisch:
“Mijn beslissing was fout.”
Het kan ook betekenen:
“Met de informatie die ik toen had, was mijn beslissing begrijpelijk. Nu weet ik meer, dus kijk ik opnieuw.”
Dat is geen zwakte.
Het is een normaal onderdeel van leren en reflecteren.
Nieuwe informatie kan:
- een oordeel bevestigen,
- aanvullen
- of veranderen.
Alle drie zijn mogelijke uitkomsten.
Vasthouden aan een beslissing is niet automatisch cognitieve dissonantie
Ook het tegenovergestelde moet duidelijk blijven.
Wanneer iemand bij een eerder besluit blijft, bewijst dat niet dat cognitieve dissonantie aanwezig is.
Iemand kan alle informatie opnieuw hebben bekeken en nog steeds dezelfde conclusie trekken.
Het verschil zit dus niet alleen in de uitkomst.
Het gaat vooral om het proces waarmee iemand tot die uitkomst komt.
- Is verschillende informatie onderzocht?
- Zijn andere verklaringen serieus bekeken?
- Is het eigen aandeel meegenomen?
- Is nieuwe informatie meegewogen?
- Kan de conclusie in principe worden aangepast wanneer daar goede redenen voor zijn?
Wanneer dat gebeurt, kan iemand na uitgebreide zelfreflectie prima bij zijn eerdere standpunt blijven.
Cognitieve dissonantie en het eigen aandeel
Zelfreflectie wordt soms moeilijk wanneer nieuwe informatie iets zegt over het eigen gedrag.
Bijvoorbeeld:
“Ik dacht dat vooral de ander het probleem veroorzaakte.”
Nieuwe informatie kan laten zien:
“Mijn reactie heeft misschien ook bijgedragen aan wat er gebeurde.”
Dat kan ongemakkelijk zijn.
Maar het onderzoeken van het eigen aandeel betekent niet dat iemand alle schuld op zich moet nemen.
Een situatie kan door meerdere personen en omstandigheden zijn beïnvloed.
De betere vraag is daarom niet:
“Wie had schuld?”
maar:
“Welke factoren speelden mee, en welk aandeel had ieder daarin?”
Wanneer het zelfbeeld wordt geraakt
Cognitieve dissonantie kan sterker voelen wanneer informatie raakt aan belangrijke overtuigingen over onszelf.
Bijvoorbeeld:
“Ik ben iemand die eerlijk handelt.”
“Ik ben iemand die goede beslissingen neemt.”
“Ik ben een goede partner.”
“Ik ben een goede ouder.”
“Ik behandel mensen rechtvaardig.”
Wanneer een gebeurtenis niet goed bij zo'n zelfbeeld past, kan dat pijnlijk zijn.
De makkelijke reactie kan zijn om de gebeurtenis volledig weg te verklaren.
De andere mogelijkheid is:
“Dit past niet bij hoe ik mezelf zie. Wat is hier precies gebeurd?”
Daarmee wordt de spanning gebruikt voor zelfonderzoek.
Het verhaal over het verleden kan veranderen
Wanneer mensen terugkijken op gebeurtenissen, proberen zij daar meestal een begrijpelijk verhaal van te maken.
Dat helpt om betekenis te geven aan wat is gebeurd.
Maar wanneer nieuwe informatie botst met dat verhaal, kan spanning ontstaan.
Bijvoorbeeld:
“Ik heb altijd gedacht dat gebeurtenis A de oorzaak was.”
Later blijkt:
“Ook B en C speelden een belangrijke rol.”
Het oorspronkelijke verhaal hoeft daardoor niet volledig fout te worden.
Het kan veranderen van:
“A was de oorzaak.”
naar:
“A speelde een rol, maar B en C waarschijnlijk ook.”
Dat is een belangrijk verschil.
Zelfreflectie hoeft een eerder verhaal dus niet af te breken.
Het kan het verhaal ook completer maken.
Wanneer anderen een ander verhaal hebben
Cognitieve dissonantie kan ook ontstaan wanneer twee mensen dezelfde gebeurtenis heel anders hebben beleefd.
De één zegt:
“Voor mij gebeurde dit.”
De ander zegt:
“Ik heb dat heel anders ervaren.”
Dat kan ongemakkelijk zijn.
De eerste reactie kan zijn:
“Dan heeft één van ons dus ongelijk.”
Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn.
Mensen kunnen dezelfde gebeurtenis vanuit verschillende posities beleven.
Zelfreflectie vraagt dan om onderscheid te maken tussen:
- wat feitelijk is gebeurd;
- hoe iemand het heeft ervaren;
- welke betekenis eraan is gegeven;
- en welke conclusies daarna zijn getrokken.
Daarmee ontstaat ruimte om verschillen te onderzoeken zonder onmiddellijk te bepalen dat slechts één perspectief bestaansrecht heeft.
Een gedachte is niet automatisch een feit
Een belangrijk onderdeel van zelfreflectie is leren onderscheiden tussen een gedachte en een feit.
Thuisarts beschrijft dat mensen bij cognitieve gedragstherapie leren om hun gedachten beter te onderzoeken. Ze kijken bijvoorbeeld of een gedachte echt klopt en of die gedachte helpt. Daarna kunnen ze zoeken naar een andere gedachte die beter past bij wat er werkelijk aan de hand is.
Dat principe is ook goed toepasbaar bij zelfreflectie:
Voorbeelden uit verschillende situaties
Cognitieve dissonantie kan in veel verschillende situaties ontstaan.
Het gaat steeds om het moment waarop wat iemand denkt, gelooft of verwacht, niet goed past bij wat er daadwerkelijk gebeurt of naar voren komt.
Op het werk
Iemand ziet zichzelf als een zorgvuldige werknemer.
Een collega wijst erop dat er meerdere fouten zijn gemaakt in een dossier.
De eerste reactie kan zijn:
“Dat kan niet aan mij liggen. De instructies waren gewoon onduidelijk.”
Een kritische reflectievraag kan dan zijn:
“Onderzoek ik ook mijn eigen aandeel in wat er misging, of zoek ik vooral naar redenen waarom het niet aan mij kan liggen?”
Binnen een relatie
Iemand vindt van zichzelf dat hij altijd openstaat voor overleg.
De partner zegt juist dat moeilijke onderwerpen vaak worden afgekapt of vermeden.
Dat kan botsen met het eigen beeld.
Een kritische vraag is dan:
“Kan het zijn dat ik mezelf als open ervaar, terwijl de ander mijn gedrag anders beleeft?”
Bij vreemdgaan of verdenking daarvan
Iemand wordt geconfronteerd met gedrag dat vragen oproept over contact met een ander.
In plaats van inhoudelijk op die vragen in te gaan, kan de reactie bijvoorbeeld zijn:
“Jij ziet overal problemen. Jij ziet alleen maar beren op de weg.”
Daarmee verschuift de aandacht van de oorspronkelijke vraag naar degene die de vraag stelt.
Een kritische reflectievraag kan dan zijn:
“Beantwoord ik werkelijk wat mij wordt gevraagd, of maak ik de twijfel van de ander tot het probleem?”
Na een incident
Na een ernstig incident is iemand ervan overtuigd dat hij precies weet wat er is gebeurd.
Later blijkt uit camerabeelden of verklaringen van getuigen dat een belangrijk onderdeel anders is verlopen dan gedacht.
Een kritische vraag kan dan zijn:
“Pas ik mijn beeld aan op basis van deze nieuwe informatie, of probeer ik de nieuwe informatie passend te maken bij wat ik al dacht?”
Bij een strafzaak of moordonderzoek
In een onderzoek kan al vroeg een bepaalde verdachte in beeld komen.
Wanneer onderzoekers daarna vooral aandacht geven aan informatie die tegen deze persoon spreekt, bestaat het risico dat andere mogelijkheden minder aandacht krijgen.
Een kritische vraag is dan:
“Onderzoeken we nog steeds alle mogelijke verklaringen, of kijken we vooral naar bewijs dat past bij de verdachte die we al in beeld hebben?”
Wanneer iemand wordt aangesproken op gedrag
Iemand krijgt van meerdere mensen te horen dat zijn gedrag intimiderend wordt ervaren.
Zelf vindt die persoon dat hij alleen duidelijk en direct communiceert.
Een kritische vraag kan dan zijn:
“Is het mogelijk dat mijn bedoeling anders is dan het effect dat mijn gedrag op anderen heeft?”
Bij een conflict
Twee mensen hebben ruzie.
De één denkt:
“De ander maakt altijd alles groter.”
Wanneer vervolgens meerdere concrete voorbeelden worden genoemd, kan de neiging ontstaan om ieder voorbeeld apart weg te verklaren.
Een kritische vraag kan zijn:
“Bekijk ik het patroon als geheel, of zoek ik voor ieder voorbeeld afzonderlijk een reden waarom het niet meetelt?”
Bij een medische situatie
Iemand denkt dat vermoeidheid alleen door stress komt.
Later blijkt uit medisch onderzoek dat er ook een lichamelijke aandoening meespeelt.
Een kritische vraag is dan:
“Ben ik bereid mijn eerdere verklaring aan te vullen wanneer er nieuwe medische informatie beschikbaar komt?”
Bij ouderschap
Een ouder ziet zichzelf als iemand die altijd goed luistert naar zijn kind.
Het kind zegt toch dat het zich regelmatig niet gehoord voelt.
Een kritische vraag kan dan zijn:
“Kijk ik vooral naar mijn goede bedoelingen, of ook naar hoe mijn gedrag daadwerkelijk door mijn kind wordt ervaren?”
Wanneer iemand kritiek krijgt
Iemand krijgt kritiek van een collega, partner of familielid.
De eerste gedachte is:
“Die persoon begrijpt mij gewoon niet.”
Een kritische vraag kan dan zijn:
“Wat gebeurt er als ik de kritiek eerst onderzoek voordat ik bepaal dat de ander mij verkeerd begrijpt?”
Deze voorbeelden laten zien dat cognitieve dissonantie niet alleen ontstaat rond grote levensbeslissingen. Het kan ook voorkomen op het werk, in relaties, bij conflicten, bij medische situaties, tijdens onderzoek en wanneer iemand wordt geconfronteerd met gedrag dat niet goed past bij het beeld dat hij van zichzelf of van een situatie heeft.
Een ander kan helpen om blinde vlekken te zien
Zelfreflectie hoeft niet alleen te gebeuren.
Een gesprek met iemand anders kan helpen.
Dat kan bijvoorbeeld een vertrouwd persoon of een professional zijn.
Het Nederlands Jeugdinstituut beschrijft: Bij reflecteren kunnen gerichte vragen helpen om beter te begrijpen wat iemand heeft gezien, gevoeld, gedacht en gedaan, en hoe deze dingen met elkaar samenhangen.
Een ander kan bijvoorbeeld vragen:
“Hoe weet je dat?”
“Welke andere mogelijkheid bestaat?”
“Was het altijd zo?”
“Welke informatie ontbreekt nog?”
“Wat zou jouw conclusie kunnen veranderen?”
Het doel daarvan is niet iemand overtuigen.
Het doel is het denkproces breder onderzoeken.
Cognitieve dissonantie is geen bewijs van een psychische aandoening
Cognitieve dissonantie hoort bij normale menselijke psychologie.
Het kan voorkomen bij alledaagse keuzes, maar ook bij belangrijke beslissingen.
Het betekent niet automatisch:
dat iemand een psychische stoornis heeft;
dat iemand liegt;
dat iemand zichzelf bewust voor de gek houdt;
dat iemand geen zelfreflectie heeft;
dat iemand een verkeerde beslissing heeft genomen;
of dat iemand zijn mening moet veranderen.
Het begrip beschrijft vooral de spanning die kan ontstaan wanneer verschillende onderdelen van ons denken en handelen niet goed bij elkaar passen.
Nederlandse universitaire bronnen beschrijven: cognitieve dissonantie eveneens als een psychologisch proces waarbij tegenstrijdigheid tussen overtuigingen, informatie of gedrag ongemak kan veroorzaken.
Cognitieve dissonantie is ook niet hetzelfde als liegen
Dit onderscheid is belangrijk.
Bij liegen weet iemand dat iets anders ligt, maar vertelt hij bewust iets dat volgens hem niet klopt.
Bij cognitieve dissonantie kan iemand juist volledig overtuigd zijn van zijn eigen verklaring.
Het psychologische proces kan plaatsvinden zonder bewuste bedoeling om iemand te misleiden.
Daarom mag cognitieve dissonantie niet worden gebruikt als bewijs dat iemand liegt of bewust informatie verdraait.
Ook twijfel is niet automatisch cognitieve dissonantie
Mensen kunnen gewoon twijfelen.
Bijvoorbeeld na een moeilijke beslissing.
Twijfel betekent niet automatisch dat iemand zijn keuze verkeerd vindt.
Ook spijt, onzekerheid en cognitieve dissonantie zijn niet precies hetzelfde.
Bij cognitieve dissonantie gaat het specifiek om een spanning tussen zaken die niet goed met elkaar overeenkomen, zoals een overtuiging en gedrag, of een eerdere keuze en nieuwe informatie.
Universiteit Leiden: gebruikt hiervoor eveneens het voorbeeld van overtuigingen die niet overeenkomen met gedrag.
Wanneer wordt cognitieve dissonantie belangrijk voor zelfreflectie?
Voor zelfreflectie wordt cognitieve dissonantie vooral interessant wanneer de spanning bepaalt welke informatie iemand nog wil of kan onderzoeken.
De vraag is dan niet:
“Heb ik cognitieve dissonantie?”
Maar:
“Wat doe ik wanneer informatie niet past bij wat ik al geloof?”
Onderzoek ik die informatie?
Probeer ik haar te begrijpen?
Pas ik mijn beeld aan als dat nodig is?
Of zoek ik vooral redenen waarom de informatie niet belangrijk kan zijn?
Juist op dat punt raken cognitieve dissonantie en zelfreflectie elkaar.
Tot slot
Cognitieve dissonantie ontstaat wanneer gedachten, overtuigingen, gedrag, keuzes of nieuwe informatie niet goed bij elkaar passen.
Dat kan een ongemakkelijk gevoel geven.
Mensen proberen die spanning vervolgens vaak kleiner te maken. Dat kan door gedrag te veranderen, een overtuiging aan te passen, een verklaring te zoeken of bepaalde informatie anders te beoordelen.
Dat proces is niet automatisch goed of fout.
Cognitieve dissonantie kan ertoe leiden dat iemand vooral zijn bestaande beeld probeert te beschermen.
Maar de spanning kan ook juist aanleiding zijn voor diepere zelfreflectie.
De belangrijkste vraag wordt dan:
“Kan ik informatie die niet bij mijn bestaande beeld past toch serieus onderzoeken?”
Goede zelfreflectie betekent namelijk niet dat iemand voortdurend zijn mening moet veranderen.
Het betekent dat iemand bereid is een overtuiging, keuze of verklaring opnieuw te bekijken wanneer nieuwe informatie daar een goede reden voor geeft.
De eerdere conclusie kan daarna nog steeds overeind blijven.
Maar zij is dan opnieuw onderzocht, in plaats van alleen verdedigd.
Nederlandse websites
Universiteit Leiden – Cognitieve dissonantie
Universiteit Leiden beschrijft cognitieve dissonantie als een toestand waarin overtuigingen niet overeenkomen met gedrag. Dit ondersteunt de basisuitleg van het begrip in dit artikel.
Universiteit Leiden – Cognitieve dissonantie en gedrag
Universiteit Leiden – Het brein: een bron van onzekerheid
In deze universitaire publicatie wordt cognitieve dissonantie beschreven als tegenstrijdigheid tussen eigen opvattingen, of tussen overtuigingen en gedrag. Dit ondersteunt de uitleg over de psychologische spanning die daarbij kan ontstaan.
Universiteit van Amsterdam – Voorkeur voor bevestiging
De Universiteit van Amsterdam beschrijft onderzoek waaruit blijkt dat mensen na een keuze gemakkelijker aandacht kunnen geven aan informatie die bij die keuze past. Dit ondersteunt het gedeelte over bestaande overtuigingen, beslissingen en het verwerken van nieuwe informatie.
Universiteit van Amsterdam – Voorkeur voor bevestiging speelt zelfs een rol bij simpele beslissingen
Nederlands Jeugdinstituut (NJi) – Aan de slag met reflectie
Het NJi beschrijft reflecteren als gestructureerd terugkijken op een ervaring, probleem of bestaande kennis. Daarbij worden verbanden gelegd tussen wat iemand heeft gezien, ervaren, gedacht en gedaan.
NJi – Aan de slag met reflectie
Thuisarts – Gedachten onderzoeken bij cognitieve gedragstherapie
Thuisarts legt uit dat bij cognitieve gedragstherapie gedachten worden onderzocht. Daarbij kan worden gekeken of gedachten werkelijk kloppen en of zij iemand helpen. Dit ondersteunt het onderdeel over het kritisch onderzoeken van eigen gedachten.
Thuisarts – Hulp bij somberheid en depressie