Wanneer zelfreflectie moeilijk wordt
Zelfreflectie vraagt dat iemand kan terugkijken op een gebeurtenis; gedachten en gevoelens kan herkennen, het eigen gedrag kan onderzoeken, verschillende verklaringen kan overwegen en een eerder oordeel eventueel kan bijstellen.
Dat klinkt eenvoudig, maar voor dit proces zijn verschillende cognitieve en psychologische functies nodig.
Iemand moet bijvoorbeeld voldoende aandacht kunnen vasthouden, informatie kunnen onthouden, gedachten kunnen ordenen, emoties kunnen verdragen en meerdere mogelijkheden naast elkaar kunnen bekijken.
Wanneer één of meerdere van deze processen onder druk staan, kan zelfreflectie moeilijker worden.
Dat kan tijdelijk gebeuren door bijvoorbeeld stress, slaaptekort, sterke emoties of overbelasting. Het kan ook voorkomen bij bepaalde psychische klachten, hersenaandoeningen of cognitieve problemen.
Belangrijk daarbij is:
Moeilijker kunnen reflecteren betekent niet automatisch dat iemand niet kan reflecteren.
Ook betekent een psychische of lichamelijke aandoening niet dat iemands herinneringen, overtuigingen of beslissingen automatisch onjuist zijn.
Het gaat erom dat omstandigheden invloed kunnen hebben op de manier waarop informatie wordt verwerkt
En om hoeveel ruimte iemand op dat moment heeft om uitgebreid naar zichzelf en een situatie te kijken.
Zelfreflectie vraagt mentale ruimte
Zelfreflectie kost denkwerk.
Iemand moet niet alleen terugdenken aan wat er gebeurde.
Maar tegelijkertijd verschillende vragen kunnen onderzoeken:
Wat gebeurde er precies?
Wat dacht ik?
Wat voelde ik?
Waarom reageerde ik zo?
Wat was mijn eigen aandeel?
Welke omstandigheden speelden mee?
Hoe kan de ander dit hebben ervaren?
Zijn er nog andere verklaringen mogelijk?
Daarvoor moeten verschillende soorten informatie tegelijkertijd worden verwerkt.
Wanneer iemand rustig is en voldoende mentale energie heeft, kan daar meer ruimte voor bestaan.
Wanneer iemand daarentegen uitgeput, gespannen, angstig, emotioneel ontregeld of cognitief overbelast is, kan dat moeilijker worde
Thuisarts beschrijft bijvoorbeeld: dat mensen die overspannen moe kunnen zijn, slecht kunnen slapen en minder goed kunnen nadenken.
Bij spanningen en heftige gebeurtenissen kan ook het geheugen tijdelijk minder goed functioneren.
Stress en overbelasting
Een bepaalde hoeveelheid spanning hoort bij het dagelijks leven.
Wanneer spanning echter hoog wordt of langdurig blijft bestaan, moet een groot deel van de mentale capaciteit worden gebruikt om met die spanning, problemen en emoties om te gaan.
Thuisarts beschrijft: dat mensen die overspannen onder andere vermoeidheid, slaapproblemen, piekeren en problemen met nadenken kunnen ervaren.
Dat kan gevolgen hebben voor zelfreflectie.
Wanneer iemand veel mentale ruimte nodig heeft voor:
problemen oplossen,
dreiging inschatten,
zorgen maken,
emoties verwerken,
vermoeidheid opvangen,
of dagelijkse verplichtingen volhouden,
Blijft mogelijk minder ruimte over om rustig verschillende perspectieven en verklaringen tegen elkaar af te wegen.
Zelfreflectie kan daardoor eenvoudiger worden.
Bijvoorbeeld:
Uitgebreide reflectie:
“Er ging iets mis in dat gesprek. Ik was gespannen, de ander was moe, we begrepen elkaar niet goed en mijn reactie maakte de spanning waarschijnlijk groter.”
Onder grote belasting kan eerder een eenvoudiger conclusie ontstaan:
“Het gesprek ging fout omdat de ander niet luisterde.”
Die conclusie hoeft niet onjuist te zijn.
Het verschil is dat mogelijk minder factoren tegelijkertijd worden meegenomen.
Een vernauwd beeld
Wanneer de beschikbare aandacht en mentale ruimte kleiner worden, kan ook het perspectief smaller worden.
Dat wordt in gewone taal soms een vernauwd perspectief of een vorm van tunnel denken genoemd.
Daarmee wordt bedoeld dat bepaalde informatie sterk op de voorgrond komt te staan, terwijl andere informatie minder aandacht krijgt.
Het betekent niet noodzakelijk dat iemand de werkelijkheid verkeerd ziet.
Het kan betekenen dat iemand op dat moment vooral kijkt naar datgene wat het meest urgent, bedreigend, pijnlijk of begrijpelijk voelt.
Bij langdurige stress kan iemand bijvoorbeeld vooral bezig zijn met:
“Hoe kom ik hieruit?”
Daardoor kan er minder ruimte zijn voor:
“Welke factoren hebben ons eigenlijk op dit punt gebracht?”
Het eerste is gericht op het beëindigen van de directe belasting.
Het tweede vraagt een bredere analyse.
Beide denkprocessen kunnen noodzakelijk zijn, maar zij zijn niet hetzelfde.
Aandacht
Aandacht is belangrijk voor zelfreflectie.
Om een situatie goed te onderzoeken moet iemand informatie kunnen vasthouden en gericht kunnen blijven bij hetgeen wat wordt onderzocht.
Wanneer de aandacht snel verspringt of iemand zich slecht kan concentreren, wordt het moeilijker om een ingewikkelde gebeurtenis stap voor stap te reconstrueren.
De Hersenstichting beschrijft bijvoorbeeld: dat problemen met uitvoerende functies kunnen samengaan met moeite om aandacht vast te houden, informatie te onthouden, overzicht te bewaren en zich aan veranderingen aan te passen.
Daarmee raakt aandacht rechtstreeks aan zelfreflectie.
Als belangrijke delen van een gebeurtenis niet goed worden onthouden, kan het later moeilijker zijn om alles met elkaar te vergelijken en het volledige beeld te zien.
Geheugen
Ook het geheugen speelt een belangrijke rol.
Zelfreflectie kijkt immers meestal terug op iets wat al gebeurd is.
Maar herinneringen zijn geen letterlijke video-opnamen van gebeurtenissen.
Om te kunnen reflecteren moet relevante informatie eerst zijn opgenomen en vervolgens voldoende beschikbaar zijn om erop terug te kunnen kijken.
Thuisarts beschrijft dat spanning en heftige gebeurtenissen: het geheugen kunnen beïnvloeden.
Mensen kunnen informatie bijvoorbeeld minder goed onthouden wanneer zij met hun gedachten sterk bij andere zaken zijn.
Ook depressie, bepaalde medicijnen, ziekten, alcohol en drugs kunnen invloed hebben op het geheugen.
Wanneer onderdelen van een gebeurtenis minder goed zijn opgeslagen of herinnerd, kan ook de reflectie daarop onvolledig worden.
Dat betekent opnieuw niet automatisch dat de herinnering fout is.
Het betekent dat niet alle informatie of details volledig aanwezig hoeven te zijn.
Uitvoerende functies
Bij zelfreflectie zijn ook zogenaamde uitvoerende functies belangrijk.
Dit zijn hersenfuncties die helpen bij het sturen en controleren van gedrag en denken.
Ze helpen onder andere bij:
plannen,
overzicht houden,
aandacht richten,
impulsen remmen,
keuzes maken,
informatie organiseren,
schakelen wanneer omstandigheden veranderen.
De Hersenstichting omschrijft uitvoerende functies als: functies waarmee gedrag wordt bestuurd en gecontroleerd. Problemen hierin kunnen onder andere leiden tot moeite met overzicht, plannen, onthouden en aanpassen wanneer iets verandert.
Voor zelfreflectie is vooral dat kunnen schakelen belangrijk.
Stel dat iemand aanvankelijk denkt:
“Dit is de verklaring.”
Later komt nieuwe informatie beschikbaar.
Dan moet iemand cognitief kunnen overschakelen naar:
“Past deze nieuwe informatie nog bij mijn eerdere conclusie?”
Wanneer schakelen of overzicht houden moeilijker wordt, kan het lastiger zijn om meerdere verklaringen naast elkaar te zetten.
Cognitieve flexibiliteit
Dit vermogen om van perspectief of aanpak te veranderen wordt vaak cognitieve flexibiliteit genoemd.
In eenvoudige taal betekent dit:
kunnen omschakelen wanneer nieuwe informatie daarom vraagt.
Bij zelfreflectie kan dat bijvoorbeeld betekenen:
“Ik dacht eerst dat dit de oorzaak was, maar nu ik meer weet, moet ik misschien opnieuw kijken.”
Cognitieve flexibiliteit betekent niet dat iemand voortdurend van mening moet veranderen.
Het betekent dat een eerder oordeel aangepast kan worden wanneer daar voldoende reden voor is.
De Hersenstichting noemt het: moeilijker kunnen aanpassen wanneer omstandigheden veranderen als een mogelijk gevolg van problemen met uitvoerende functies.
Wanneer deze flexibiliteit onder druk staat, kan iemand gemakkelijker blijven vasthouden aan een bestaande verklaring, ook wanneer nieuwe informatie ingewikkelder in dat beeld past.
Maar ook hier geldt:
vasthouden aan een conclusie is op zichzelf geen bewijs van een cognitief probleem.
Iemand kan na zorgvuldig onderzoek immers ook terecht bij een eerdere conclusie blijven.
Metacognitie
In het eerdere artikel is metacognitie uitgelegd als het vermogen om bewust naar het eigen denken te kijken.
Niet alleen:
“Ik denk dit.”
Maar ook:
“Waarom denk ik dit?”
“Waar baseer ik het op?”
“Kan mijn eigen interpretatie invloed hebben op mijn conclusie?”
Zelfreflectie vraagt dus dat iemand enige afstand kan nemen van de eigen gedachte.
Een gedachte wordt dan niet onmiddellijk behandeld als een vaststaand feit, maar kan worden onderzocht.
Wanneer dit vermogen moeilijker wordt, kan het onderscheid tussen:
“dit denk ik”
en
“zo is het”
kleiner worden.
Daarom vormt metacognitie een belangrijk onderdeel van goede zelfreflectie.
Sterke emoties
Zelfreflectie gebeurt niet alleen met gedachten.
Emoties spelen eveneens een belangrijke rol.
Boosheid, angst, verdriet, schaamte, schuldgevoel, machteloosheid en teleurstelling kunnen bepalen waarop iemand zijn aandacht richt.
Dat betekent niet dat emoties onbetrouwbaar zijn.
Een emotie is een werkelijke ervaring en kan belangrijke informatie geven over wat een gebeurtenis voor iemand betekent.
Maar:
een gevoel en een feit zijn niet hetzelfde.
Iemand kan bijvoorbeeld sterk het gevoel hebben afgewezen te zijn.
Dat gevoel is echt.
De conclusie:
“De ander wilde mij bewust afwijzen”
is vervolgens een interpretatie die afzonderlijk onderzocht kan worden.
Goede zelfreflectie vraagt daarom dat zowel de emotie als de betekenis die eraan wordt gegeven bekeken kunnen worden.
Angst
Bij sterke angst kan de aandacht sterk gericht raken op mogelijke dreiging.
Thuisarts beschrijft: Bij een angststoornis waarbij iemand zich over veel verschillende dingen langdurig zorgen maakt, kunnen angstige gedachten en zorgen elkaar steeds sterker maken. Iemand kan bijvoorbeeld denken dat er iets mis zal gaan en daardoor steeds angstiger worden. Hierdoor kan die persoon situaties gaan vermijden, veel controleren, vaak geruststelling zoeken of steeds over dezelfde zorgen blijven nadenken.
Voor zelfreflectie betekent dit dan de vraag:
“Wat kan er allemaal aan de hand zijn?”
Mogelijk gemakkelijker verandert in:
“Waar zit het gevaar?”
Dat is begrijpelijk wanneer iemand angst ervaart.
Maar een sterke gerichtheid op gevaar kan het moeilijker maken om neutrale of geruststellende verklaringen dezelfde aandacht te geven.
Dit betekent niet dat een angstige persoon gebeurtenissen per definitie verkeerd beoordeelt.
Wel kan angst de richting van de aandacht beïnvloeden.
Depressieve klachten
Ook depressieve klachten kunnen invloed hebben op omstandigheden die nodig zijn voor zelfreflectie.
Thuisarts noemt bij depressie: onder andere vermoeidheid, schuldgevoelens, gevoelens van waardeloosheid en moeite met nadenken, concentreren en beslissingen nemen.
Daarmee kan zowel de cognitieve als de emotionele kant van reflectie onder druk komen te staan.
Zelfreflectie kan dan bijvoorbeeld gemakkelijker omslaan in sterke zelfkritiek:
“Het ligt allemaal aan mij.”
Dat is iets anders dan evenwichtig het eigen aandeel onderzoeken.
Thuisarts beschrijft binnen cognitieve gedragstherapie: Bij een depressie kunnen negatieve gedachten sterker op de voorgrond komen, zoals: “Ik kan niets” of “Het is allemaal mijn schuld.”
Samen met een psycholoog kan worden onderzocht waar deze gedachten vandaan komen, welke feiten ervoor en ertegen spreken en of deze gedachten wel helemaal kloppen.
Ook het Trimbos-instituut beschrijft binnen Mindfulness-Based Cognitive Therapy: Het leren herkennen van negatieve gedachten die automatisch opkomen, en begrijpen dat een gedachte niet altijd een feit is. Iemand leert dus om eerst naar een gedachte te kijken en te onderzoeken of deze ook echt klopt.
Dat laat een belangrijk punt zien:
Meer schuld bij jezelf zoeken is niet automatisch betere zelfreflectie.
Gezonde zelfreflectie betekent dat iemand eerlijk kijkt naar zijn eigen aandeel, zonder automatisch alle schuld of verantwoordelijkheid bij zichzelf te leggen.
Piekeren is niet hetzelfde als zelfreflectie
Iemand kan urenlang nadenken en toch weinig verder komen.
Dat gebeurt bijvoorbeeld bij piekeren.
Bij reflectie wordt informatie onderzocht en kunnen nieuwe inzichten, alternatieven of handelingsmogelijkheden ontstaan.
Bij piekeren kunnen juist steeds dezelfde vragen en gedachten terugkomen:
“Waarom gebeurde dit?”
“Waarom heb ik dit gedaan?”
“Wat als het anders was gegaan?”
“Waarom kan ik dit niet oplossen?”
zonder dat nieuwe informatie wordt toegevoegd.
Veel nadenken betekent daarom niet automatisch dat iemand diep reflecteert.
Soms kan voortdurend nadenken juist zoveel mentale ruimte innemen dat breder kijken moeilijker wordt.
Traumatische gebeurtenissen
Na een ernstige of bedreigende gebeurtenis kan het psychologische systeem sterk gericht blijven op veiligheid en gevaar.
Thuisarts beschrijft: dat mensen na een traumatische gebeurtenis onder andere moeite kunnen hebben om hun aandacht ergens bij te houden, snel en sterk kunnen schrikken en voortdurend alert kunnen zijn.
Bij PTSS kunnen herinneringen en gedachten aan de gebeurtenis bovendien steeds opnieuw terugkomen en kan vermijding ontstaan.
Dat kan reflectie ingewikkelder maken.
Terugkijken naar een gebeurtenis is dan niet uitsluitend een rustig cognitief proces, maar kan opnieuw sterke emoties of lichamelijke spanning oproepen.
Sommige onderwerpen worden daardoor misschien vermeden.
Dat is niet hetzelfde als onwil.
Vermijden kan een manier zijn om zeer sterke spanning tijdelijk te verminderen.
Het nadeel is dat informatie die moeilijk is om onder ogen te zien daardoor soms ook minder uitgebreid onderzocht wordt.
Vermoeidheid
Vermoeidheid wordt soms onderschat wanneer over cognitief functioneren wordt gesproken.
Voor uitgebreide zelfreflectie is echter mentale energie nodig.
Bij vermoeidheid door een hersenaandoening: kan iemand bijvoorbeeld meer moeite krijgen met de aandacht erbij houden, dingen onthouden, helder nadenken, informatie begrijpen en oplossingen bedenken.
Dit wordt soms ook hersenmist of brain fog genoemd.
Dergelijke klachten kunnen echter ook voorkomen bij andere langdurige of chronische aandoeningen. Bij ME/CVS kunnen bijvoorbeeld ernstige vermoeidheid, concentratieproblemen en geheugenproblemen optreden. Ook bij aandoeningen zoals long-COVID en andere langdurige ziektebeelden kunnen vermoeidheid en problemen met denken, concentreren of onthouden voorkomen.
Welke klachten iemand heeft en hoe ernstig deze zijn, verschilt per persoon en per aandoening.
Het hebben van een chronische ziekte betekent daarom niet automatisch dat iemand cognitieve problemen heeft, maar deze kunnen wel onderdeel zijn van het ziektebeeld.
Wanneer denken veel inspanning vraagt, kan een ingewikkelde reflectie daardoor sneller te belastend worden.
Iemand kan dan bijvoorbeeld nog wel een eenvoudige conclusie trekken.
maar moeite hebben met:
vijf verschillende factoren tegelijkertijd overwegen,
een lang gesprek reconstrueren,
tegenstrijdige informatie vergelijken,
of meerdere toekomstscenario's afwegen.
Dat is een verschil tussen
- niet willen nadenken
- en op dat moment onvoldoende cognitieve energie hebben om uitgebreid na te denken.
Die twee mogen niet automatisch met elkaar worden verward.
Overprikkeling
Overprikkeling kan eveneens invloed hebben op de hoeveelheid informatie die iemand kan verwerken.
De Hersenstichting beschrijft: dat mensen bij overprikkeling meer moeite kunnen hebben om nieuwe informatie op te nemen. Ook kunnen zij problemen ervaren met denken, het geheugen en de concentratie.
Wanneer iemand tegelijkertijd geluid, gesprekken, emoties, lichamelijke klachten en andere prikkels moet verwerken, kan de beschikbare capaciteit voor complexe analyse afnemen.
Een belangrijk gesprek voeren op een moment van ernstige overprikkeling kan daarom heel anders verlopen dan hetzelfde gesprek in een rustige omgeving.
Dat kan ook relevant zijn wanneer later op dat gesprek wordt teruggekeken.
Brain fog of hersenmist
Brain fog is geen afzonderlijke diagnose, maar een term die wordt gebruikt voor klachten waarbij het denken minder helder kan aanvoelen.
Mensen kunnen bijvoorbeeld moeite ervaren met:
concentreren,
woorden vinden,
informatie verwerken,
onthouden,
het overzicht bewaren,
of oplossingen bedenken.
De Hersenstichting noemt hersenmist/brain fog: onder andere in samenhang met vermoeidheid bij hersenaandoeningen en beschrijft dat denken, begrijpen en oplossingen bedenken dan moeilijker kunnen worden.
Wanneer dergelijke klachten aanwezig zijn, kunnen onderdelen van de reflectiecyclus daardoor meer inspanning kosten.
Maar brain fog betekent niet: dat iemand geen eigen mening kan vormen of dat diens overtuigingen automatisch verkeerd zijn.
Hersenaandoeningen en cognitieve problemen
Bij bepaalde hersenaandoeningen kunnen aandacht, geheugen, taal, informatieverwerking en uitvoerende functies veranderen.
De precieze gevolgen verschillen sterk per persoon en per aandoening.
De Hersenstichting beschrijft bijvoorbeeld: dat problemen met uitvoerende functies kunnen voorkomen bij uiteenlopende aandoeningen, waaronder traumatisch hersenletsel, beroerte, Parkinson, MS, dementie, hersentumoren en verschillende psychiatrische of neuro-ontwikkelingsstoornissen.
Wanneer er twijfel bestaat over cognitief functioneren kan neuropsychologisch onderzoek gebruikt worden om verschillende functies te onderzoeken.
UMC Utrecht beschrijft: dat bij neuropsychologisch onderzoek onder andere wordt gekeken naar geheugen, concentratie en taal om sterke en zwakke cognitieve functies en de invloed daarvan op het dagelijks functioneren in kaart te brengen.
Daarmee is een belangrijk onderscheid mogelijk:
Een vermoeden dat iemand cognitief minder goed reflecteert is niet hetzelfde als professioneel vastgesteld cognitief functioneren.
Dat laatste vraagt onderzoek.
Psychose
Bij sommige psychische problemen kan het veel moeilijker worden om gedachten en waarnemingen goed te beoordelen en te bepalen wat daarvan wel of niet klopt.
Een duidelijk voorbeeld is een psychose.
Thuisarts beschrijft: dat iemand tijdens een psychose de wereld anders kan beleven en dingen kan horen, zien of denken die anderen niet ervaren. Ook kan het denken warrig, sneller of langzamer verlopen.
Tijdens zo'n periode kan het moeilijker zijn om afstand te nemen van bepaalde ervaringen en gedachten.
Een waarneming of overtuiging kan op dat moment zeer werkelijk aanvoelen.
Dit is iets anders dan gewone onzekerheid, stress of cognitieve vermoeidheid.
Daarom moeten algemene problemen met zelfreflectie niet zonder reden worden gelijkgesteld aan psychose of verlies van realiteitsbesef.
Zelfreflectie kan ook te streng worden
Wanneer over beperkte zelfreflectie wordt gesproken, wordt vaak gedacht aan iemand die te weinig naar zichzelf kijkt.
Maar het tegenovergestelde kan eveneens problemen geven.
Iemand kan zichzelf voortdurend analyseren en bij vrijwel iedere gebeurtenis zoeken naar:
Wat heb ik verkeerd gedaan?
Waarom ben ik zo?
Waarom kon ik dit niet voorkomen?
Dat lijkt op het eerste gezicht veel zelfreflectie.
Maar wanneer steeds dezelfde negatieve conclusie ontstaat en andere verklaringen nauwelijks worden meegenomen, kan het eerder om piekeren of overmatige zelfkritiek gaan.
Evenwichtige zelfreflectie vraagt daarom niet:
“Hoeveel schuld ligt bij mij?”
maar:
“Wat was daadwerkelijk mijn aandeel en welke andere factoren speelden eveneens mee?”
Zelfbescherming en moeilijke informatie
Zelfreflectie kan ook emotioneel bedreigend zijn.
Een nieuwe conclusie kan bijvoorbeeld betekenen dat iemand moet erkennen:
dat een eerdere overtuiging mogelijk onvolledig was,
dat het eigen gedrag gevolgen heeft gehad,
dat een beslissing misschien opnieuw bekeken moet worden,
of dat twee tegenstrijdige waarheden tegelijkertijd kunnen bestaan.
Dat kan ongemak oproepen.
Mensen kunnen moeilijke onderwerpen daardoor uitstellen, vermijden of eenvoudiger verklaringen aantrekkelijker vinden.
Dat betekent niet automatisch dat er sprake is van een psychische aandoening.
Tot op zekere hoogte is het menselijk om informatie die pijn, schaamte, schuld of onzekerheid oproept moeilijker te onderzoeken.
Zelfreflectie vraagt daarom niet alleen denkvermogen, maar ook het kunnen verdragen van wat uit die reflectie naar voren kan komen.
Wanneer een verhaal steeds eenvoudiger wordt
Bij complexe gebeurtenissen bestaat een bijzonder risico.
De werkelijke situatie kan uit veel lagen bestaan:
persoon A + persoon B + gezondheid + stress + werk + kinderen + eerdere ervaringen + communicatie + omstandigheden + timing.
Na verloop van tijd kan daarvan een eenvoudiger verhaal overblijven:
“Het kwam hierdoor.”
Een eenvoudiger verhaal is gemakkelijker te begrijpen, te onthouden en aan anderen uit te leggen.
Maar eenvoud is niet automatisch hetzelfde als volledigheid.
Zelfreflectie wordt daarom sterker wanneer iemand kan blijven vragen:
Welke factoren heb ik meegenomen?
Welke factoren niet?
Welke informatie kende ik destijds nog niet?
Is mijn huidige verklaring een feit of een interpretatie?
Zou nieuwe informatie mijn conclusie kunnen veranderen?
Dat betekent niet dat iedere situatie eindeloos opnieuw onderzocht moet worden.
Wel betekent het dat complexe gebeurtenissen soms ook complexe verklaringen nodig hebben.
De rol van andere mensen
Wanneer iemand zelf midden in een situatie zit, kan afstand nemen moeilijk zijn.
Daarom kunnen gesprekken met anderen behulpzaam zijn.
Dat kan een partner, familielid, vriend, arts, psycholoog of andere professional zijn.
Een ander kan bijvoorbeeld vragen:
“Hoe weet je dat?”
“Kan er nog een andere verklaring zijn?”
“Wat gebeurde er vlak daarvoor?”
“Welke rol speelde jouw eigen reactie?”
Thuisarts legt uit: dat praten kan helpen wanneer iemand overspannen is. Het kan helpen om beter te begrijpen wat er is gebeurd en om een probleem ook vanuit een andere kant te bekijken.
Maar ook feedback van anderen moet onderzocht worden.
Een ander perspectief is niet automatisch de waarheid.
Het is extra informatie.
Wanneer professionele beoordeling belangrijk wordt
Iedereen kan tijdelijk minder helder nadenken.
Dat wordt iets anders wanneer problemen langdurig aanwezig zijn of duidelijk invloed krijgen op het dagelijks functioneren.
Bijvoorbeeld wanneer iemand:
steeds meer problemen met geheugen of concentratie krijgt,
veel moeite heeft met overzicht houden,
sterk veranderd gedrag vertoont,
ernstig verward raakt,
de werkelijkheid duidelijk anders gaat beleven,
of nauwelijks meer dagelijkse beslissingen kan nemen.
Dan kan professionele beoordeling nodig zijn.
Afhankelijk van de klachten kan dat bijvoorbeeld plaatsvinden via de huisarts, psycholoog, psychiater, neuroloog, revalidatiearts of klinisch neuropsycholoog.
Wat mag je hier niet uit concluderen?
Uit cognitieve, lichamelijke of psychische klachten mag niet automatisch worden geconcludeerd:
“Dus die persoon kan niet reflecteren.”
Ook niet:
“Dus zijn of haar herinnering klopt niet.”
Of:
“Dus de beslissing die iemand heeft genomen is door de ziekte veroorzaakt.”
En evenmin:
“Als iemand niet van mening verandert, is er geen zelfreflectie.”
Daarvoor zijn dergelijke verbanden veel te complex.
Een persoon met ernstige vermoeidheid kan uitstekend reflecteren.
Iemand met een depressie kan een situatie correct beoordelen.
Iemand zonder enige diagnose kan juist zeer eenzijdig naar zichzelf of anderen kijken.
Een ziekte of klacht kan wel een reden zijn om verder te kijken.
Er kan dan worden onderzocht welke functies mogelijk minder goed werken, en wat dit voor die persoon in die specifieke situatie betekent.
Moeilijker reflecteren is iets anders dan niet willen reflecteren
Ook deze twee begrippen moeten uit elkaar worden gehouden.
Niet kunnen kan bijvoorbeeld samenhangen met cognitieve beperkingen.
Moeilijk kunnen kan samenhangen met vermoeidheid, stress of sterke emoties.
Niet willen kan betekenen dat iemand bewust niet verder op een onderwerp wil ingaan.
Maar van buitenaf is niet altijd eenvoudig vast te stellen welke van deze processen speelt.
Wat eruitziet als:
“Hij wil er niet over nadenken”
kan soms betekenen:
“Hij raakt cognitief overbelast.”
Maar het kan ook werkelijk betekenen dat iemand er niet over wil praten.
Zonder voldoende informatie mag het ene niet automatisch voor het andere worden ingevuld.
Zelfreflectie kan veranderen met de omstandigheden
Een laatste belangrijk punt is dat zelfreflectie geen volledig vaststaande eigenschap is.
Iemand kan op het ene moment veel genuanceerder reflecteren dan op het andere.
Bijvoorbeeld:
na voldoende rust versus tijdens uitputting;
in een rustig gesprek versus midden in een conflict;
wanneer iemand zich veilig voelt versus wanneer iemand sterke dreiging ervaart;
met voldoende tijd versus wanneer onmiddellijk een beslissing moet worden genomen.
Daarom kan het zinvol zijn moeilijke onderwerpen niet alleen te beoordelen op basis van één gesprek of één moment van extreme belasting.
Soms ontstaat pas later voldoende afstand om gebeurtenissen uitgebreider te onderzoeken.
Tot slot
Zelfreflectie vraagt meer dan alleen de bereidheid om naar jezelf te kijken.
Aandacht, geheugen, mentale energie, emotieregulatie, metacognitie, uitvoerende functies en cognitieve flexibiliteit kunnen allemaal een rol spelen.
Stress, sterke emoties, angst, depressieve klachten, traumatische ervaringen, vermoeidheid, overprikkeling, brain fog, psychische ontregeling of een hersenaandoening kunnen onderdelen van dit proces onder bepaalde omstandigheden moeilijker maken.
Maar geen van deze factoren betekent automatisch dat zelfreflectie verdwijnt.
Ook bewijzen zij niet dat een mening, herinnering of beslissing onjuist is.
De belangrijkste vraag is daarom niet:
“Kan deze persoon wel reflecteren?”
maar eerder:
“Welke omstandigheden en cognitieve processen spelen hier mee, welke informatie wordt meegenomen en is er voldoende ruimte om ook andere verklaringen en perspectieven te onderzoeken?”
Daarmee ontstaat de volgende belangrijke stap binnen dit onderwerp:
Wat gebeurt er wanneer het perspectief tijdens zelfreflectie steeds smaller wordt en vooral bepaalde informatie nog wordt meegenomen?
Nederlandse websites
Thuisarts – Overspannen
Thuisarts beschrijft dat langdurige spanning onder andere gepaard kan gaan met vermoeidheid, slecht slapen, piekeren en minder goed kunnen nadenken. Dit ondersteunt het gedeelte over stress, overbelasting en verminderde mentale ruimte.
Thuisarts – Snel dingen vergeten
Thuisarts beschrijft hoe stress en heftige gebeurtenissen het geheugen kunnen beïnvloeden en dat ook depressie, bepaalde ziekten, medicijnen en middelen een rol kunnen spelen.
Hersenstichting – Problemen met uitvoerende functies
De Hersenstichting legt uit hoe uitvoerende functies gedrag en denken helpen sturen. Problemen kunnen gevolgen hebben voor aandacht, geheugen, overzicht, planning, keuzes maken en het kunnen aanpassen wanneer omstandigheden veranderen. De informatie is opgesteld met advies van neuropsycholoog Tanja Nijboer.
Hersenstichting – Vermoeidheid
De Hersenstichting beschrijft dat vermoeidheid bij hersenaandoeningen gepaard kan gaan met problemen met aandacht, onthouden en brain fog, waarbij denken, begrijpen en oplossingen bedenken moeilijker kunnen worden.
Hersenstichting – Overprikkeling
Hier wordt uitgelegd dat overprikkeling invloed kan hebben op het opnemen van nieuwe informatie, concentratie, geheugen en het denken.
Thuisarts – Depressie
Thuisarts noemt bij depressie onder andere vermoeidheid, schuldgevoel, problemen met concentreren, nadenken en beslissingen nemen. Ook wordt binnen de behandeling aandacht besteed aan het onderzoeken van negatieve gedachten.
Thuisarts – Gegeneraliseerde angststoornis
Thuisarts beschrijft hoe angstige gedachten, gevoelens, vermijden, controleren en piekeren elkaar kunnen versterken. Dit ondersteunt het gedeelte over de invloed van sterke angst op aandacht en denken.
Thuisarts – PTSS
Thuisarts beschrijft onder andere terugkerende herinneringen, sterke spanning en vermijding na traumatische gebeurtenissen. Ook kunnen aandacht en concentratie worden beïnvloed.
UMC Utrecht – Neuropsychologisch onderzoek
UMC Utrecht legt uit hoe neuropsychologisch onderzoek wordt gebruikt om functies zoals geheugen, concentratie en taal te onderzoeken en om te bekijken welke invloed cognitieve sterke en zwakke punten hebben op het dagelijks functioneren.