Welkom 
 

Hoe werkt zelfreflectie?

Zelfreflectie is geen afzonderlijke gedachte die ineens ontstaat

Het is een proces waarbij iemand terugkijkt op een ervaring, aandacht besteedt aan het eigen denken, voelen en handelen, probeert te begrijpen welke factoren daarop van invloed waren en onderzoekt wat daarvan geleerd kan worden.

Daarbij wordt als het ware een deel van de aandacht verplaatst van de gebeurtenis zelf naar de eigen verwerking van die gebeurtenis.

Dat onderscheid is belangrijk.

Wanneer iemand denkt:
“Hij luisterde niet naar mij.”
wordt vooral een conclusie over de ander gevormd.

Bij zelfreflectie kunnen aanvullende vragen ontstaan:
“Waardoor kreeg ik het gevoel dat hij niet luisterde?”
“Wat gebeurde er feitelijk?”
“Wat dacht ik op dat moment?”
“Welke emotie riep dat bij mij op?”
“Hoe reageerde ik vervolgens?”
“Welke invloed had mijn reactie op het verdere verloop?”
“Zijn er andere verklaringen mogelijk?”

Het oorspronkelijke oordeel hoeft daardoor niet onjuist te blijken. Zelfreflectie betekent vooral dat het oordeel onderzocht wordt.

Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) beschrijft: binnen het reflectiemodel van Korthagen een vergelijkbaar cyclisch proces: handelen en ervaren, terugblikken, bewustwording van essentiële aspecten, alternatieven ontwikkelen en deze vervolgens uitproberen.

Van meemaken naar onderzoeken
In het dagelijks leven analyseren mensen niet voortdurend bewust iedere gedachte en iedere reactie.
Veel gedrag ontstaat terwijl een situatie zich afspeelt. We nemen iets waar, interpreteren wat er gebeurt, ervaren emoties en reageren daarop.

Pas daarna kan reflectie plaatsvinden.

Zorg voor Beter beschrijft: zelfreflectie als jezelf een spiegel voorhouden. Daarbij wordt gekeken naar wat gebeurde, op welke signalen iemand reageerde, welke gedachten en gevoelens aanwezig waren, hoe iemand reageerde en wat het resultaat van dat handelen was.

Het reflectieproces kan daarom vereenvoudigd worden weergegeven als:
Gebeurtenis → waarneming → interpretatie → gedachten en gevoelens → reactie → gevolgen → terugkijken → onderzoeken → inzicht → eventueel bijstellen.

In werkelijkheid lopen deze onderdelen niet altijd zo netjes achter elkaar. Gedachten, gevoelens, herinneringen en gedrag beïnvloeden elkaar voortdurend. 

Het schema helpt vooral om zichtbaar te maken waarop iemand tijdens zelfreflectie kan terugkijken.

Stap 1 – Er gebeurt iets
Zelfreflectie begint meestal bij een ervaring.
Dat kan iets kleins zijn, zoals een ongemakkelijk gesprek, maar ook een conflict, een fout, een moeilijke beslissing, kritiek van iemand anders, verlies, een relatieprobleem of een andere ingrijpende gebeurtenis.

Tijdens die gebeurtenis ontstaat een eigen beleving.
Neem bijvoorbeeld een gesprek waarin een partner weinig zegt.

De feitelijke waarneming kan zijn:
De ander zegt gedurende een deel van het gesprek weinig.

Maar daar kunnen verschillende betekenissen aan worden gegeven:
“De ander heeft geen belangstelling.”
“De ander is boos.”
“De ander weet niet wat hij moet zeggen.”
“De ander is moe.”
“De ander probeert een conflict te voorkomen.”

Hier ontstaat een belangrijk uitgangspunt voor zelfreflectie:
Een waarneming en de betekenis die iemand eraan geeft, zijn niet altijd hetzelfde.
Zelfreflectie kan helpen deze twee achteraf van elkaar te onderscheiden.

Stap 2 – Terugkijken naar wat daadwerkelijk gebeurde
Een volgende stap is reconstrueren wat er gebeurde.

Het NJi noemt dit binnen het model van Korthagen terugblikken

Daarbij kunnen vragen worden gesteld als: wat gebeurde er, wat deed ik, wat dacht ik, wat voelde ik, wat wilde ik, wat deden anderen en hoe beïnvloedde de situatie mijn reactie?

Het verschil tussen waarneming en interpretatie wordt hierbij belangrijk.

Bijvoorbeeld:
Waarneming:
De ander beëindigde het gesprek en liep naar buiten.
Interpretatie:
De ander wilde niets met mij te maken hebben.

De tweede uitspraak kan waar zijn, maar bevat een conclusie over de betekenis van het gedrag.

Tijdens reflectie kan daarom worden onderzocht:
Wat weet ik daadwerkelijk?
Wat heb ik waargenomen?
Welke betekenis heb ik daar zelf aan gegeven?

Dit betekent niet dat persoonlijke interpretaties waardeloos zijn. 

Ze zijn juist belangrijk omdat mensen op basis daarvan gevoelens kunnen ontwikkelen en handelen. 

Maar een interpretatie is iets anders dan een rechtstreeks waargenomen feit.

Stap 3 – De eigen gedachten onderzoeken
Vervolgens kan iemand onderzoeken welke gedachten tijdens de gebeurtenis aanwezig waren.

Dat kan gaan om bewuste gedachten, maar ook om snelle beoordelingen zoals:
“Dit gaat weer fout.”
“Ik word afgewezen.”
“De ander begrijpt mij nooit.”
“Ik moet mezelf verdedigen.”
“Dit heeft geen zin meer.”

Deze gedachten kunnen vervolgens invloed hebben op emoties en gedrag.

Zelfreflectie vraagt daarom niet alleen:
Wat dacht ik?
maar ook:
Waarom dacht ik dat?

En vervolgens:
Welke informatie ondersteunde die gedachte?
Welke informatie paste er misschien niet bij?
Was er nog een andere verklaring mogelijk?
Hier raakt zelfreflectie aan metacognitie.

Om goed naar het eigen denken te kunnen kijken, moet iemand als het ware een stap terug kunnen doen van de gedachte zelf. 

Het gaat dan niet alleen om wat iemand denkt, maar ook om het kunnen opmerken, onderzoeken en beoordelen van die gedachte.

Iemand kan bijvoorbeeld denken:
“De ander neemt mij niet serieus.”
Een volgende stap is dan:
“Waarom denk ik dit eigenlijk?”
“Waar baseer ik deze gedachte op?”
“Kan er ook een andere verklaring zijn?”
“Heeft mijn emotie invloed op hoe ik de situatie beoordeel?”

Het vermogen om op deze manier naar het eigen denken te kijken, wordt metacognitie genoemd.

Metacognitie betekent eenvoudig gezegd: bewust kunnen nadenken over het eigen denken en kunnen volgen hoe het eigen denkproces verloopt. Het gaat dus niet alleen om gedachten hebben, maar ook om kunnen herkennen hoe die gedachten ontstaan, hoe betrouwbaar ze mogelijk zijn en of bijstelling nodig is.

Universiteit Leiden legt uit dat metacognitie betekent dat iemand bewust stilstaat bij hoe hij denkt en leert. Daarbij onderzoekt iemand zijn eigen aanpak, kijkt of deze goed werkt en past deze aan als dat nodig is.

Ook Universiteit Utrecht behandelt metacognitieve vaardigheden als processen waarbij iemand het eigen functioneren kan volgen, beoordelen en aanpassen.

Binnen zelfreflectie is metacognitie daarom belangrijk. 

Zonder enige afstand tot het eigen denken wordt een gedachte gemakkelijk ervaren als een vaststaand gegeven. 

Metacognitie maakt het juist mogelijk om te onderzoeken:
“Dit is wat ik op dit moment denk, maar klopt mijn interpretatie ook volledig?”

Daarmee vormt metacognitie een belangrijk onderdeel van zelfreflectie, omdat het helpt om niet alleen naar gebeurtenissen en anderen te kijken, maar ook naar de manier waarop het eigen denken die  gebeurtenissen interpreteert.

Bij zelfreflectie gebeurt iets vergelijkbaars: niet alleen de inhoud van een gedachte staat centraal, maar ook hoe die gedachte tot stand kwam en hoe betrouwbaar of bruikbaar deze is.

Stap 4 – Gevoelens herkennen
Gedachten kunnen niet los worden gezien van emoties.

Een situatie kan bijvoorbeeld angst, boosheid, verdriet, schaamte, teleurstelling, machteloosheid of opluchting oproepen.

Die emoties zijn reëel als ervaring. 

Maar een sterke emotie bewijst op zichzelf nog niet dat de interpretatie waardoor zij ontstond volledig juist is.

Iemand kan zich bijvoorbeeld sterk afgewezen voelen terwijl nog niet vaststaat dat afwijzing de bedoeling van de ander was.

Zelfreflectie vraagt daarom om onderscheid tussen:
Wat voelde ik?
en:
Wat concludeerde ik op basis van dat gevoel?

Dat is geen poging om emoties weg te redeneren. 

Emoties leveren juist belangrijke informatie over wat een gebeurtenis voor iemand betekent.

Zorg voor Beter benadrukt bij zelfreflectie eveneens het onderzoeken van gevoelens en gedachten en de manier waarop iemand vervolgens reageerde.

Stap 5 – Het eigen gedrag onderzoeken
Na gedachten en gevoelens komt het gedrag in beeld.

Wat deed iemand vervolgens?

Bijvoorbeeld:
terugtrekken,
boos reageren,
blijven doorvragen,
een gesprek beëindigen,
stil worden,
contact zoeken,
vermijden,
een beslissing nemen.

Daarbij gaat zelfreflectie verder dan alleen vaststellen wat iemand deed.

Er kan ook worden onderzocht:
Wat probeerde ik met mijn gedrag te bereiken?
Bereikte ik daarmee wat ik wilde?
Welke reactie riep mijn gedrag bij de ander op?
Heeft mijn reactie de situatie verbeterd, verslechterd of nauwelijks veranderd?

Hier wordt het eigen aandeel zichtbaar.

Stap 6 – Het eigen aandeel onderzoeken
Het onderzoeken van het eigen aandeel is niet hetzelfde als schuld op zich nemen.

In complexe situaties kunnen meerdere mensen, omstandigheden en processen tegelijkertijd invloed hebben.

Stel dat twee mensen tijdens een conflict steeds verder van elkaar verwijderd raken.
De één trekt zich terug wanneer spanning ontstaat. 

De ander ervaart dat terugtrekken als afstand en gaat sterker aandringen op een gesprek. Daardoor ervaart de eerste persoon nog meer druk en trekt zich verder terug.

Wie is dan de oorzaak?
Zo'n vraag kan te eenvoudig zijn.

Een reflectievere vraag is:
Welke wisselwerking ontstond en welk aandeel had ieder daarin?

Zelfreflectie maakt het daarmee mogelijk om niet alleen lineair te denken:
A deed iets → daardoor gebeurde B.
Maar ook naar wederzijdse beïnvloeding te kijken:
A beïnvloedt B → B reageert → die reactie beïnvloedt A opnieuw.

Dat kan vooral bij relaties, gezinnen, teams en langdurige conflicten belangrijk zijn.

Stap 7 – Onderliggende factoren herkennen
Het NJi beschrijft:  Na het terugkijken volgt een fase waarin iemand zich bewuster wordt van wat er precies speelde. Daarbij wordt onderzocht waarom iemand op een bepaalde manier reageerde of handelde en wat daarop invloed kan hebben gehad.
Een reactie ontstaat namelijk niet zomaar. Er kunnen verschillende gedachten, gevoelens, ervaringen en omstandigheden aan voorafgaan.

Onderliggende factoren kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op eerdere ervaringen, verwachtingen, overtuigingen, behoeften, stress, onzekerheid, omstandigheden of patronen die iemand door de tijd heen heeft ontwikkeld.

De reflectievraag verandert daarmee van:
“Wat deed ik?”
naar:
“Wat maakte dat ik juist op deze manier reageerde?”

Dat is een diepere vorm van reflectie.

Daarbij blijft voorzichtigheid noodzakelijk. Achteraf een verklaring bedenken betekent niet automatisch dat deze verklaring ook bewezen is.

Zelfreflectie behoort daarom ruimte te houden voor onzekerheid:
“Dit kan een rol hebben gespeeld, maar ik weet niet zeker of dit de volledige verklaring is.”

Stap 8 – Andere perspectieven onderzoeken
Een belangrijke verdieping ontstaat wanneer iemand probeert de situatie vanuit meer dan één perspectief te bekijken.

Bijvoorbeeld:
Hoe heb ik dit ervaren?
Hoe zou de ander dit kunnen hebben ervaren?
Welke omstandigheden kende ik misschien niet?
Welke informatie had de ander die ik niet had?
Hoe zou een neutrale buitenstaander naar dezelfde gebeurtenis kijken?

Dit betekent niet dat alle perspectieven even juist zijn.

Het doel is dat het eigen perspectief niet automatisch als het enige mogelijke perspectief wordt behandeld.

De Universiteit Utrecht beschrijft reflecteren: eveneens als het onderzoeken van wat er gebeurde, het eigen aandeel, waarom iemand zo reageerde of handelde en welke alternatieven mogelijk zijn.

Stap 9 – Het oorspronkelijke oordeel opnieuw bekijken
Nu kan een belangrijk moment ontstaan.

Iemand vergelijkt het oorspronkelijke oordeel met wat tijdens de reflectie naar voren is gekomen.

Soms verandert er vrijwel niets:
“Nu ik alles opnieuw heb onderzocht, blijf ik bij mijn oorspronkelijke conclusie.”
Dat kan een geldige uitkomst zijn.

Maar reflectie kan ook tot nuance leiden:
“Mijn oorspronkelijke conclusie was gedeeltelijk juist, maar er speelde meer.”
Of:
“Ik heb destijds een belangrijke factor niet meegenomen.”
Of zelfs:
“Met wat ik nu weet, zou ik dezelfde gebeurtenis anders beoordelen.”

Het vermogen om een oordeel op basis van nieuwe informatie te herzien is een belangrijk onderdeel van leren.

Het doel van zelfreflectie is daarom niet noodzakelijk van mening veranderen.
Het doel is dat een oordeel onderzoek baar blijft.

Stap 10 – Alternatieven ontwikkelen
Reflectie die alleen eindigt met begrijpen wat er gebeurde, kan waardevol zijn. Maar het proces kan verder gaan.

Het NJi beschrijft in het model van Korthagen: dat iemand, nadat duidelijker is geworden wat er speelde, gaat kijken welke andere mogelijkheden er zijn en welke keuze daarbij het beste past.

Iemand kan zichzelf bijvoorbeeld vragen:
Wat had ik anders kunnen doen?
Welke andere reactie was mogelijk geweest?
Wat zouden daarvan de voor- en nadelen zijn?
Wat wil ik bij een vergelijkbare situatie anders aanpakken?
Het gaat daarmee van inzicht naar handelingsmogelijkheden.

Stap 11 – Nieuw gedrag uitproberen
De laatste stap is toepassing.

Iemand probeert bij een volgende vergelijkbare situatie iets anders te doen.

Bijvoorbeeld: 

eerder aangeven dat spanning oploopt, eerst vragen wat de ander bedoelt in plaats van een conclusie trekken, feedback vragen, een gesprek tijdelijk onderbreken of juist een moeilijk onderwerp niet langer vermijden.

Daarna kan opnieuw worden gekeken:
Wat gebeurde er toen ik het anders deed?

Daarmee wordt duidelijk waarom het NJi het reflectieproces als een cyclus beschrijft.

Het eindpunt van de ene reflectie kan het beginpunt van een volgende ervaring worden:
Ervaren → terugkijken → begrijpen → alternatieven ontwikkelen → uitproberen → opnieuw ervaren → opnieuw reflecteren.

Zelfreflectie werkt dus als een terugkoppelingsproces

Zelfreflectie kan uiteindelijk worden gezien als een vorm van terugkoppeling.
Een mens handelt, ziet of ervaart de gevolgen daarvan, onderzoekt wat eraan voorafging en gebruikt die informatie om toekomstige gedachten of gedrag eventueel bij te stellen.

Dat verklaart waarom alleen terugdenken onvoldoende is.
Wanneer iemand na iedere gebeurtenis steeds exact dezelfde conclusie trekt zonder de eigen aannames, gevoelens, het eigen aandeel of alternatieve verklaringen te onderzoeken, vindt er wel terugdenken plaats, maar is de reflectieve cyclus beperkt.

Andersom hoeft goede zelfreflectie niet te betekenen dat iedere eerdere overtuiging wordt losgelaten.

Een conclusie mag ook overeind blijven.

Het wezenlijke verschil is dat zij kritisch onderzocht kon worden.

Zelfreflectie gebeurt niet volledig objectief
Hier bevindt zich tegelijkertijd een belangrijke beperking.
Degene die reflecteert is namelijk dezelfde persoon die de oorspronkelijke gebeurtenis heeft waargenomen, geïnterpreteerd en onthouden.

Zelfreflectie is daarom geen perfecte reconstructie van de werkelijkheid.
Herinneringen kunnen onvolledig zijn. Emoties kunnen meewegen. Bepaalde informatie kan meer aandacht krijgen dan andere informatie. Achteraf kan nieuwe kennis de interpretatie van een eerdere gebeurtenis veranderen.

Daarom kunnen feedback, gesprekken, concrete feiten of het perspectief van anderen waardevol zijn.
Niet omdat een ander automatisch beter weet wat er is gebeurd, maar omdat nieuwe informatie het bestaande beeld kan aanvullen of corrigeren.

Goede zelfreflectie vraagt meer dan intelligentie
Goed kunnen nadenken betekent bovendien niet automatisch dat iemand zichzelf altijd goed kan beoordelen.

Zelfreflectie doet een beroep op verschillende processen: aandacht, herinnering, bewustwording van gedachten en emoties, het kunnen onderzoeken van het eigen gedrag, het onderscheiden van waarneming en interpretatie, het overwegen van alternatieven en het eventueel bijstellen van conclusies.

Daarom kan zelfreflectie onder sommige omstandigheden moeilijker worden.

Dat brengt ons bij een volgende belangrijke vraag:
Wat heeft iemand cognitief en psychologisch nodig om goed te kunnen reflecteren?

Want wanneer:  aandacht, geheugen, cognitieve flexibiliteit, emotieregulatie of het vermogen om meerdere perspectieven te overwegen onder druk komen te staan, kan ook de manier waarop iemand naar zichzelf en gebeurtenissen kijkt veranderen.

Dat betekent niet automatisch:  dat zelfreflectie verdwijnt of dat iemands conclusies onjuist worden.

Het betekent wel:  dat het belangrijk wordt om te onderzoeken onder welke voorwaarden zelfreflectie goed functioneert en wat er gebeurt wanneer die voorwaarden minder gunstig zijn.
Dat is de volgende stap in het begrijpen van het mechanisme achter zelfreflectie.

Nederlandse websites 

Nederlands Jeugdinstituut (NJi) – Reflectiemodellen van Korthagen
Het NJi beschrijft het reflectieproces stap voor stap: een ervaring of handeling, terugblikken, bewust worden van wat een rol speelde, andere mogelijkheden onderzoeken en nieuw gedrag uitproberen. 

De pagina legt ook uit hoe gedachten, gevoelens en andere factoren tijdens reflectie kunnen worden onderzocht.
NJi – Reflectiemodellen van Korthagen

Nederlands Jeugdinstituut (NJi) – Zelf aan de slag met verdiepende vragen
Het NJi geeft hier concrete vragen waarmee iemand dieper kan reflecteren. Daarbij wordt onder andere gekeken naar omstandigheden, het eigen gedrag, persoonlijke eigenschappen, waarden en wat iemand motiveert. Dit sluit goed aan bij het onderzoeken van verschillende lagen tijdens zelfreflectie.
NJi – Zelf aan de slag met verdiepende vragen

Universiteit Utrecht – Reflectie en intervisie
Universiteit Utrecht beschrijft reflecteren als het overdenken van een betekenisvolle gebeurtenis om het eigen handelen te verbeteren. Daarbij wordt expliciet gekeken naar wat er gebeurde, het eigen aandeel, waarom iemand op een bepaalde manier reageerde of handelde en welke alternatieven mogelijk zijn.
Universiteit Utrecht – Reflectie en intervisie

Universiteit Utrecht – Reflectie en intervisie