Als niemand meer tijd heeft
je dacht altijd dat je wist op wie je kon rekenen. Tot het moment waarop je anderen het hardst nodig had.
Het telefoontje
Je zit tegenover de arts.
De uitslag is ernstig. Je bent ziek. Heel ziek.
De komende maanden zullen bestaan uit onderzoeken, behandelingen en onzekerheid.
Eenmaal thuis pak je je telefoon.
Je wilt iemand spreken. Gewoon even je verhaal kwijt.
Je belt een goede vriend.
"Sorry, ik zit midden in iets. Ik bel je later terug."
Dat telefoontje komt niet.
Je stuurt een bericht naar een familielid.
"Wat ontzettend heftig! We moeten snel afspreken."
Je antwoordt dat je dat fijn zou vinden.
Er komt geen datum.
De weken verstrijken.
Je ziet op sociale media foto's van verjaardagen, etentjes en gezellige uitstapjes.
Je glimlacht bij sommige foto's.
Totdat je beseft dat je al dagen niemand hebt gesproken.
Op een avond gaat je telefoon.
Even voel je opluchting.
Maar het is iemand die iets van je nodig heeft.
Je zegt dat je moe bent.
"Ach, iedereen heeft het druk tegenwoordig."
Je antwoordt dat je het begrijpt.
Wanneer het gesprek afgelopen is, blijft het stil.
Je kijkt naar de lege stoel tegenover je.
Morgen moet je opnieuw naar het ziekenhuis.
Je weet dat je slecht nieuws kunt krijgen.
Je denkt eraan iemand te vragen om mee te gaan.
Maar wie?
Je opent je contactenlijst.
Scrolt naar beneden.
En legt je telefoon weer weg.
Niet omdat er niemand is.
Maar omdat je niemand meer tot last wilt zijn.
De gewetensvraag
Stel dat jij een van de mensen bent die steeds zei geen tijd te hebben. Dat je goede bedoelingen had, maar het bezoek uitstelde, het bericht vergat en aannam dat iemand anders er wel zou zijn.
En stel dat je morgen hoort dat die ernstig zieke persoon de afgelopen maanden vrijwel alles alleen heeft moeten doorstaan.
Zou je dan nog zeggen dat je werkelijk geen tijd had? Of moet je erkennen dat je voor andere dingen wél tijd hebt gemaakt, terwijl iemand die jou nodig had steeds verder uit beeld verdween?
Misschien begint eenzaamheid niet wanneer er niemand meer om je heen is, maar wanneer iedereen ervan uitgaat dat een ander er wel zal zijn.